ECLI:NL:CRVB:2023:214
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing terugwerkende kracht bijstand naar gehuwdennorm
Appellant ontving sinds maart 2017 bijstand als alleenstaande. In juli 2020 vroeg hij samen met zijn partner bijstand aan naar de norm voor gehuwden met ingang van maart 2020, de datum waarop zijn partner op zijn adres was ingeschreven. Het college wees deze aanvraag in oktober 2020 af, maar wijzigde dit in februari 2021 door bijstand toe te kennen vanaf juli 2020.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de coronacrisis hem verhinderde eerder een aanvraag te doen omdat hij geen hulp kon krijgen. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn die terugwerkende kracht rechtvaardigen.
De Raad benadrukte dat het tijdig aanvragen van bijstand tot de eigen verantwoordelijkheid van appellant behoort en dat het niet spreken van de Nederlandse taal geen bijzondere omstandigheid is. Ook bleek dat appellant met hulp van Vluchtelingenwerk in de betreffende periode wel formulieren heeft ingediend. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van bijstand blijft 15 juli 2020.