Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:214

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2023
Publicatiedatum
1 februari 2023
Zaaknummer
21/3280 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing terugwerkende kracht bijstand naar gehuwdennorm

Appellant ontving sinds maart 2017 bijstand als alleenstaande. In juli 2020 vroeg hij samen met zijn partner bijstand aan naar de norm voor gehuwden met ingang van maart 2020, de datum waarop zijn partner op zijn adres was ingeschreven. Het college wees deze aanvraag in oktober 2020 af, maar wijzigde dit in februari 2021 door bijstand toe te kennen vanaf juli 2020.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de coronacrisis hem verhinderde eerder een aanvraag te doen omdat hij geen hulp kon krijgen. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn die terugwerkende kracht rechtvaardigen.

De Raad benadrukte dat het tijdig aanvragen van bijstand tot de eigen verantwoordelijkheid van appellant behoort en dat het niet spreken van de Nederlandse taal geen bijzondere omstandigheid is. Ook bleek dat appellant met hulp van Vluchtelingenwerk in de betreffende periode wel formulieren heeft ingediend. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van bijstand blijft 15 juli 2020.

Uitspraak

21.3280 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juli 2021, 21/1270 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
Datum uitspraak: 24 januari 2023
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Zitting heeft: mr. M.F. Wagner
Griffier: Y. Fatni
Beide partijen zijn met bericht niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de ingangsdatum van de aan appellant toegekende bijstand naar de norm voor gehuwden. Appellant ontving sinds 15 maart 2017 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet (PW). Op 15 juli 2020 heeft appellant samen met zijn partner een aanvraag gedaan voor bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de PW, met als ingangsdatum 11 maart 2020. Dit is de datum waarop zijn partner is ingeschreven op het adres van appellant in de Basisregistratie personen. Bij besluit van 14 oktober 2020 heeft het college de aanvraag van appellant en zijn partner afgewezen. Bij besluit van 2 februari 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 14 oktober 2020 herroepen in die zin dat aan appellant en zijn partner met ingang van 15 juli 2020 bijstand naar de norm voor gehuwden wordt toegekend. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hem niet kan worden verweten dat hij niet eerder dan 15 juli 2020 een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Door de coronacrisis heeft appellant nergens hulp kunnen vragen. Hij kon voor hulp niet terecht bij Vluchtelingenwerk of de gemeente Almere.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in zijn geval bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat met terugwerkende kracht tot 11 maart 2020 bijstand naar de norm voor gehuwden wordt toegekend. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van appellant om zijn aanvraag tijdig te doen. Zoals de rechtbank heeft overwogen is de omstandigheid dat appellant de Nederlandse taal niet of onvoldoende spreekt geen bijzondere omstandigheid. Appellant had in verband daarmee hulp moeten vragen. Er is ook niet gebleken dat appellant helemaal geen hulp heeft kunnen vragen. Zowel de rechbank als het college hebben er terecht op gewezen dat appellant in de te beoordelen periode van 11 maart 2020 tot en met 15 juli 2020 wel met behulp van Vluchtelingenwerk inkomstenformulieren heeft ingediend. Niet valt in te zien waarom Vluchtelingenwerk, of een andere organisatie, appellant in deze periode niet had kunnen ondersteunen bij het doen van een aanvraag om bijstand, zeker nu de aanvraag digitaal kon worden ingediend.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) Y.S.S.. Fatni (getekend) M.F. Wagner