ECLI:NL:CRVB:2023:2156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering export Wajong-uitkering naar Noorwegen wegens ontbreken zorgafhankelijkheid en medische noodzaak
Appellante, geboren in 2000, ontvangt sinds 2019 een Wajong-uitkering en verzocht in 2020 om deze uitkering mee te nemen naar Noorwegen, waar haar mantelzorger woont. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen medische noodzaak was voor verhuizing en appellante niet zorgafhankelijk was van haar mantelzorger. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel zorgafhankelijk is van haar mantelzorger, die noodgedwongen naar Noorwegen is verhuisd, en dat haar gezondheid en functioneren in Noorwegen zouden verbeteren. Ook stelde zij dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het Unierecht. De Raad oordeelde dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden van de beleidsregels, geen medische behandeling van enige duur in Noorwegen hoefde te ondergaan en dat het exportverbod niet onredelijk was.
De Raad concludeerde dat het woonplaatsvereiste een evenredige inbreuk maakt op de rechten van personen met een handicap en dat er geen sprake is van discriminatie of schending van het recht op vrij verkeer. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd, met verbetering van de gronden. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van export van de Wajong-uitkering naar Noorwegen blijft in stand.