Appellante was sinds 2010 werkzaam als bouwadministrateur/projectcoördinator en ontving vanaf 2014 een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2020 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waarna de uitkering per 1 februari 2021 werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege onvoldoende arbeidskundig onderzoek maar handhaafde de medische beoordeling.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar medische beperkingen, waaronder Sjögren, eczeem, astma en psychische klachten, onvoldoende waren meegewogen en dat de geselecteerde functies ongeschikt waren vanwege repetitieve handelingen en weinig mogelijkheden tot recuperatie. De Raad volgde dit niet en achtte de medische en arbeidskundige rapporten zorgvuldig en voldoende onderbouwd.
De verzekeringsartsen hadden uitgebreid onderzoek gedaan, inclusief dossierstudie en overleg met specialisten, en concludeerden dat de aandoeningen chronisch maar stabiel zijn, zonder noodzaak voor urenbeperking. De arbeidsdeskundige bevestigde de geschiktheid voor de geselecteerde functies. De Raad oordeelde dat de redelijke termijn van vier jaar niet was overschreden en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de beëindiging van de WIA-uitkering blijft in stand.