ECLI:NL:CRVB:2023:2237
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving sinds 2011 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling op verzoek van haar werkgever stelde het UWV vast dat zij slechts 18,77% arbeidsongeschikt was, wat leidde tot beëindiging van haar uitkering per 9 juli 2018. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij meer beperkingen had dan aangenomen, ondersteund door medische stukken van diverse specialisten.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke medisch deskundige die, na aanvullend neuropsychologisch onderzoek, concludeerde dat appellante geen zwaardere beperkingen had dan eerder vastgesteld. De deskundige vond aanwijzingen voor onderpresteren en overrapportage van klachten. De rechtbank volgde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij de redelijke termijn overschrijding erkende en een immateriële schadevergoeding toekende.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij psychisch niet in staat was het neuropsychologisch onderzoek te voltooien en dat de conclusies van de deskundige onvoldoende waren onderbouwd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de deskundige zorgvuldig en volledig onderzoek had verricht, waarbij ook de medische stukken van appellante waren betrokken. De Raad zag geen reden om af te wijken van het oordeel dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV tot beëindiging van de WIA-uitkering. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 9 juli 2018 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.