Appellante was sinds 1999 arbeidsongeschikt met psychische klachten en ontving een WAO-uitkering. Na intrekking van deze uitkering in 2004 wegens vermindering van beperkingen, viel zij in 2006 uit met schouderklachten na een val. Het Uwv kende haar in 2008 een WIA-uitkering toe, die in 2019 werd beëindigd na een herbeoordeling waarbij werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
Appellante stelde dat zij meer beperkingen had dan het Uwv aannam en dat haar klachten voortkwamen uit dezelfde oorzaak als waarvoor zij eerder een WAO-uitkering ontving. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat de schouderklachten een andere oorzaak hadden dan de psychische klachten waarop de WAO-uitkering was gebaseerd. De medische rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen werden als zorgvuldig en betrouwbaar beoordeeld.
De rechtbank had de beroepen van appellante tegen de besluiten van het Uwv ongegrond verklaard, een oordeel dat de Centrale Raad van Beroep bevestigde. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn in zowel de bestuurlijke als rechterlijke fase was overschreden, waarop een schadevergoeding werd toegekend. De Raad veroordeelde het Uwv en de Staat tot betaling van respectievelijk €181,82 en €818,18 aan appellante en de proceskosten werden eveneens verdeeld.