Uitspraak
OVERWEGINGEN
Samenvatting
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, woonachtig in de Verenigde Staten, bereikte in 2009 de pensioengerechtigde leeftijd en vroeg ruim tien jaar later een ouderdomspensioen aan. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende het pensioen toe met ingang van 1 januari 2020, één jaar terugwerkende kracht, omdat appellant pas in 2021 een aanvraag indiende.
Appellant maakte bezwaar tegen de beperkte terugwerkende kracht en stelde dat de situatie van mantelzorg voor zijn zieke echtgenote en andere omstandigheden een bijzonder geval vormden dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel. Er is geen sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, AOW.
De Raad overweegt dat appellant regelmatig contact had met de Svb over zijn pensioenrechten tussen 2009 en 2015, maar geen eerdere aanvraag heeft ingediend. De Svb heeft hem meerdere malen gewezen op de mogelijkheid tot aanvraag en de terugwerkende kracht. Er is geen sprake van onjuiste voorlichting of omstandigheden die het tijdig aanvragen onmogelijk maakten. Ook het beroep op artikel 4:84 Awb Pro faalt omdat de omstandigheden niet als bijzonder worden aangemerkt.
De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het ouderdomspensioen is terecht met één jaar terugwerkende kracht toegekend; het hoger beroep wordt afgewezen.