ECLI:NL:CRVB:2023:2311
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk bevestigd
Appellante was werkzaam als docent speciaal onderwijs en meldde zich ziek met diverse klachten. Het UWV stelde op basis van medische beoordelingen vast dat zij per 1 februari 2021 geschikt was voor haar eigen werk en beëindigde haar Ziektewet-uitkering. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij niet geschikt was, maar dit werd door het UWV en de rechtbank ongegrond verklaard.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt en overhandigde een nieuw medisch rapport dat haar ongeschiktheid zou aantonen. De Centrale Raad van Beroep volgde echter het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat dit rapport onvoldoende aanleiding gaf het eerdere standpunt te wijzigen. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig en overtuigend was en dat de psychische klachten rond de datum van beëindiging grotendeels in remissie waren.
Het verzoek van appellante om een onafhankelijke deskundige te benoemen werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan de juistheid van de eerdere beoordeling. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellante is terecht beëindigd wegens geschiktheid voor haar eigen werk; het hoger beroep en verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.