ECLI:NL:CRVB:2023:2312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen op besluit Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft in 2014 een Wajong-uitkering aangevraagd, welke door het UWV werd geweigerd omdat zij meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Na bezwaar bleef dit besluit in stand. In 2020 verzocht appellante het UWV terug te komen op het eerdere besluit, stellende dat er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren, waaronder een licht verstandelijke beperking en onvoldoende arbeidsvermogen ondanks begeleiding.
Het UWV weigerde dit verzoek en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat er geen nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden waren die het eerdere besluit onjuist maakten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat appellante niet voldeed aan de criteria voor Wajong en dat haar medische situatie stabiel was, met geen verhoogde begeleidingsbehoefte.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Het verzoek om terug te komen op het besluit werd beoordeeld op basis van artikel 4:6 Awb Pro, waarbij geen sprake bleek van nieuwe feiten. De Raad achtte het bestreden besluit niet evident onredelijk en volgde de rechtbank in het oordeel dat appellante geen aanspraak kan maken op een regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op het besluit geen Wajong-uitkering toe te kennen wegens ontbreken van nieuwe feiten.