ECLI:NL:CRVB:2023:2318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid na zwangerschap en miskraam in hoger beroep
Appellante was werkzaam als bedrijfsleider en meldde zich ziek vanaf februari 2020 wegens zwangerschap en mentale klachten na een miskraam. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 21 oktober 2020 en 7 januari 2021 niet arbeidsongeschikt was door zwangerschap of bevalling. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar depressie en verslavingsproblematiek het directe gevolg waren van haar voortijdig beëindigde zwangerschap.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond omdat het UWV een andere beslissing nam dan eerder, maar handhaafde het standpunt dat de arbeidsongeschiktheid niet door zwangerschap kwam. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en wijst erop dat de medische rapporten geen causaal verband aantonen tussen de klachten en zwangerschap, maar wel erkennen dat mentale klachten voortkomen uit een onvervulde kinderwens.
De Raad concludeert dat het hoger beroep faalt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap vanaf 21 oktober 2020 en 7 januari 2021.