ECLI:NL:CRVB:2023:2322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beslissing over aflossing starterskrediet bij WIA-uitkering
Appellant, voormalig ICT-consultant, ontving een starterskrediet van €15.000 met een aflossingsverplichting van €300 per maand vanaf november 2016, terug te betalen uiterlijk oktober 2021. Het UWV stelde vast dat appellant niet tijdig was begonnen met aflossen en legde een nieuwe betalingsregeling op vanaf december 2020.
Appellant voerde aan dat hij vanaf november 2016 maandelijks €300 had afgelost via inhouding op zijn uitkering, onderbouwd met een besluit van 30 november 2017 en bankafschriften. Het UWV betwistte dit en stelde dat het genoemde besluit niet van haar afkomstig was en dat inhoudingen pas vanaf maart 2021 plaatsvonden.
De rechtbank oordeelde dat de stellingen van appellant onvoldoende waren onderbouwd en dat het UWV niet conform de leningsovereenkomst had gehandeld, maar dat de kwijtschelding van de helft van de lening voldoende compensatie bood. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, o.a. omdat het vermeende besluit van 30 november 2017 niet authentiek bleek en de bankafschriften onvoldoende overtuigend waren.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht pas vanaf maart 2021 inhoudingen verricht en dat de betaalspecificaties en bankgegevens van het UWV doorslaggevend zijn. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd dat het UWV pas vanaf maart 2021 inhoudingen verricht voor aflossing van het starterskrediet.