Appellante, laatst werkzaam als leidster op een peuterspeelzaal, heeft bezwaar gemaakt tegen het UWV-besluit waarin haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 71,42%. Zij stelde dat zij meer beperkingen heeft en recht heeft op een IVA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de medische en arbeidskundige vaststellingen voldoende waren gemotiveerd. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en wijst het hoger beroep af.
De Raad benadrukt dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid gebaseerd is op objectief vastgestelde beperkingen en niet louter op klachten of diagnoses. De medische rapporten en functionele mogelijkhedenlijst (FML) geven een gedegen onderbouwing van de beperkingen, waarbij ook rekening is gehouden met psychische en lichamelijke klachten, inclusief diabetes mellitus.
De Raad concludeert dat de door het UWV geselecteerde functies passend zijn en dat appellante niet heeft aangetoond dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.