Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Het UWV nam op 7 juli 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij het volledig aan de bezwaren van appellante tegemoetkwam. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten.
De Raad stelde vast dat het UWV inderdaad volledig tegemoet was gekomen aan de bezwaren en dat de rechtbank al een proceskostenveroordeling in eerste aanleg had uitgesproken. De Raad beperkte zich daarom tot de beoordeling van de in hoger beroep gemaakte kosten.
Op basis van de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van € 837,- aan proceskosten en het door appellante betaalde griffierecht van € 136,-. Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten en de uitspraak werd in het openbaar gedaan.