ECLI:NL:CRVB:2023:2385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 45,92% door UWV
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn arbeidsongeschiktheid per 4 februari 2021 vast te stellen op 45,92%. Hij stelt dat zijn medische beperkingen, waaronder klachten aan hand, vingers, pijnlijke benen en anale problematiek, onvoldoende zijn meegenomen en dat hij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit van het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat appellant geen objectieve medische gegevens had ingebracht om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te betwisten.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad stelt vast dat de medische en arbeidskundige beoordelingen van het UWV zorgvuldig zijn uitgevoerd en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst adequaat rekening houdt met de beperkingen van appellant. De aangevoerde klachten zijn niet onderbouwd met voldoende medische gegevens om het oordeel te wijzigen.
De Raad concludeert dat de vaststelling van 45,92% arbeidsongeschiktheid terecht is en dat appellant geen recht heeft op vergoeding van proceskosten of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 45,92% bedraagt en wijst het hoger beroep af.