ECLI:NL:CRVB:2023:2403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WIA-uitkering naar 35%-45% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voorheen werkzaam als operator, ontving een WIA-uitkering die het UWV per 1 september 2021 herzag naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35% tot 45%. Appellant betwistte deze herziening en stelde dat zijn beperkingen, waaronder voet-, hoofd- en depressieve klachten, onvoldoende waren meegewogen, waardoor hij ongeschikt zou zijn voor de geselecteerde functies en een hogere mate van arbeidsongeschiktheid zou moeten gelden.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV de medische beperkingen adequaat had vastgesteld op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor zijn klachten. De arbeidskundige bezwaren werden niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.
De Raad concludeert dat de herziening van de WIA-uitkering terecht is vastgesteld en dat appellant geen vergoeding van proceskosten ontvangt. De uitspraak werd gedaan door rechter W.R. van der Velde op 20 december 2023.
Uitkomst: De herziening van de WIA-uitkering naar 35% tot 45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.