ECLI:NL:CRVB:2023:2412

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 december 2023
Publicatiedatum
20 december 2023
Zaaknummer
22/1344 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens gewijzigde beslissing UWV

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV. Het UWV heeft vervolgens op 2 juni 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij het volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante. Naar aanleiding hiervan heeft appellante op 21 augustus 2023 het hoger beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de procedure schriftelijk afgedaan. Op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming in de bezwaren worden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

De Raad heeft geoordeeld dat het UWV de proceskosten moet vergoeden die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in beroep en hoger beroep, inclusief reiskosten en het betaalde griffierecht in hoger beroep. De totale vergoeding bedraagt € 2.541,22 aan proceskosten en € 136,- aan griffierecht.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van € 2.541,22 aan proceskosten en € 136,- aan griffierecht aan appellante.

Uitspraak

Datum uitspraak: 20 december 2023
22/1344 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 april 2022, 20/6175 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.L. Ross, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 2 juni 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 21 augustus 2023 heeft mr. Ross namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 2 juni 2023 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Voor een vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar bestaat geen grond, omdat appellante destijds zelf bezwaar heeft gemaakt. Aangezien het Uwv de gemaakte reiskosten in bezwaar heeft vergoed, moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 837,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift) voor verleende rechtsbijstand. Ook komen de door appellante gemaakte reiskosten van
€ 30,22 voor vergoeding in aanmerking. In totaal dient het Uwv dus € 2.541,22 te vergoeden.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank al bepaald dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep moet vergoeden. Het Uwv dient ook het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.541,22;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) M.D.F. de Moor