ECLI:NL:CRVB:2023:2424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep tegen UWV-besluit
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV. Na een eerdere vernietiging door de Raad en een nieuwe beslissing van het UWV op 20 september 2022, heeft appellant het hoger beroep ingetrokken omdat het UWV met een gewijzigde beslissing op bezwaar van 8 december 2022 aan de bezwaren tegemoet is gekomen.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten omdat het UWV geen verweerschrift heeft ingediend en het beroep is ingetrokken. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener van het beroepschrift worden veroordeeld in de proceskosten indien het geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren tegemoet is gekomen.
De Raad oordeelt dat het UWV de proceskosten van appellant die redelijkerwijs zijn gemaakt in verband met de behandeling van het beroep moet vergoeden. De kosten worden begroot op €837,- voor verleende rechtsbijstand en daarnaast moet het UWV het betaalde griffierecht van €50,- vergoeden.
De uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek namens de Centrale Raad van Beroep op 21 december 2023.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €837 en griffierecht van €50 aan appellant.