Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar trok dit beroep in nadat het UWV haar met een gewijzigde beslissing op bezwaar tegemoet was gekomen. Appellante verzocht vervolgens om vergoeding van de proceskosten die zij in beroep en hoger beroep had gemaakt.
De Raad stelde vast dat het UWV de kosten van bezwaar reeds had vergoed en beoordeelde alleen de kosten in beroep en hoger beroep. De proceskosten werden begroot op €1.674,- voor het beroep en €837,- voor het hoger beroep. Daarnaast werd vergoeding van expertisekosten van een medisch adviseur gevraagd, waarvan slechts een deel werd toegewezen op basis van het Besluit tarieven in strafzaken 2003.
De Raad wees de onredelijke posten af en hanteerde het wettelijke uurtarief voor medisch advies. Uiteindelijk werd het UWV veroordeeld tot een totale vergoeding van €5.471,24 aan proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €185,-. De uitspraak werd gedaan door E.W. Akkerman op 21 december 2023.