ECLI:NL:CRVB:2023:2487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling bevestigd
Appellant, die zich in april 2019 ziekmeldde met lichamelijke en psychische klachten, ontving aanvankelijk een WIA-uitkering op grond van 100% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en aanvullend onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige werd de mate van arbeidsongeschiktheid per 7 april 2021 vastgesteld op 13,65%, waarna het UWV besloot de uitkering per 30 juni 2022 te beëindigen.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd had en dat een urenbeperking onterecht was uitgesloten.
De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet. De Raad concludeerde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische situatie op de datum in geding adequaat had beoordeeld, inclusief de informatie van de huisarts. De urenbeperking werd terecht niet aangenomen vanwege het ontbreken van medische redenen. De arbeidskundige beoordeling was eveneens voldoende gemotiveerd, en de geselecteerde functies waren passend.
Het hoger beroep werd verworpen, de beëindiging van de WIA-uitkering per 30 juni 2022 bleef in stand. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering van appellant terecht heeft beëindigd per 30 juni 2022.