ECLI:NL:CRVB:2023:250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onrechtmatigheid en toekenning schadevergoeding wegens onterechte schorsing WIA-uitkering
Appellant ontving een WIA-uitkering en toeslag, die door het UWV per 1 augustus 2018 werd geschorst wegens het niet verschijnen op afspraken. Appellant maakte bezwaar, waarna het UWV de uitkering weer betaalbaar stelde, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees geen schadevergoeding toe.
In hoger beroep trok het UWV het bestreden besluit in en erkende de onrechtmatigheid van de schorsing. Appellant vorderde daarnaast vergoeding van immateriële schade en proceskosten. De Raad oordeelde dat de onrechtmatigheid vaststaat en dat het UWV aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit het onrechtmatige besluit.
De Raad wees de schadevergoeding toe voor de wettelijke rente over de periode van vertraging in de betaling, conform artikel 6:119 BW Pro, en wees vergoeding van immateriële schade af wegens onvoldoende onderbouwing. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep is verder niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt deels toegewezen voor schadevergoeding van wettelijke rente en proceskosten, en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.