Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:252

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 februari 2023
Publicatiedatum
9 februari 2023
Zaaknummer
21/4152 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing UWV en proceskostenveroordeling

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV. Het UWV heeft vervolgens op 3 oktober 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarmee het tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant. Hierdoor heeft appellant op 17 oktober 2022 het hoger beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling van het UWV.

De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten. Op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het mogelijk het bestuursorgaan te veroordelen in de kosten indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan aan de bezwaren tegemoet is gekomen.

De Raad heeft geoordeeld dat het UWV de kosten die appellant in bezwaar heeft gemaakt reeds heeft vergoed, maar dat het UWV nog moet worden veroordeeld in de kosten die appellant in beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskostenvergoeding is vastgesteld op in totaal € 2.511,-, bestaande uit € 1.674,- voor het beroep en € 837,- voor het hoger beroep. Appellant kan het betaalde griffierecht rechtstreeks bij het UWV verhalen.

De uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in aanwezigheid van griffier K.M. Geerman, en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2023.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot betaling van € 2.511,- aan proceskosten aan appellant na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 9 februari 2023
21/4152 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2021, 21/1945 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 3 oktober 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 17 oktober 2022 heeft mr. Willering namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 3 oktober 2022 aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
Aangezien het Uwv de gemaakte kosten in bezwaar heeft vergoed, moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674,‑ in beroep (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) en € 837,- in hoger beroep (één punt voor het indienen van het hoger beroepschrift). In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding voor de aan appellant door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 2.511,-.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.511,-.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van K.M. Geerman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2023.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) K.M. Geerman