Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:2539

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2023
Publicatiedatum
22 juli 2024
Zaaknummer
20/163 WAO-T2
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:51d AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep wijst op gebrekkige medische grondslag UWV-besluit over arbeidsongeschiktheid

In deze tweede tussenuitspraak in hoger beroep tegen het UWV heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat het bestreden besluit nog steeds niet gebaseerd is op een deugdelijke medische grondslag, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Na een eerder tussenuitspraak van 26 april 2022 heeft het UWV aanvullend medisch onderzoek laten verrichten en een gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Deze FML bevatte aanvullende beperkingen vanwege medicijngebruik, maar ook het schrappen van beperkingen die eerder waren toegekend vanwege niet-verzekerde klachten.

Appellant betoogde dat het schrappen van beperkingen in strijd is met de goede procesorde en dat bepaalde beperkingen verband houden met zijn rugklachten en medicatiegebruik. De Raad volgde appellant deels, met name over het onterecht vervallen van beperkingen op het gebied van hitte, koude, tocht en ploegendiensten, die volgens medische protocollen wel verband kunnen houden met rugklachten.

De Raad concludeerde dat het UWV het besluit moet herstellen door de FML aan te passen conform deze overwegingen en vervolgens de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen. Het UWV krijgt acht weken de tijd om dit te doen.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen door de FML aan te passen en de arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen.

Uitspraak

20.163 WAO-T2

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Tweede tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 december 2019, 18/4503 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 oktober 2023
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 26 april 2022 een tussenuitspraak gedaan, ECLI:NL:CRVB:2022:962.
Vervolgens heeft het Uwv bij brieven van 23 juni 2022 en 28 juli 2022 een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, een Functionele mogelijkhedenlijst (FML), een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en CBBS-stukken ingediend.
Namens appellant heeft mr. J.I.T. Sopacua, advocaat, een zienswijze naar voren gebracht.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak van 26 april 2022.
2.1.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv nader medisch onderzoek verricht en op 10 juni 2022 een gewijzigde FML opgesteld. In deze FML zijn ten opzichte van de FML van 14 juni 2016 aanvullende beperkingen aangenomen wegens het medicijngebruik van appellant op de items 1.2 (beperkt voor het verdelen van de aandacht), 1.9.9 (werk zonder verhoogd persoonlijk risico) en 2.12.5 (geen leidinggevende aspecten). Dit zijn de beperkingen die in eerdere rapporten van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep in verband met het medicatiegebruik zijn beschreven, maar niet waren opgenomen in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder aanleiding gezien om de beperkingen op 3.1 (hitte), 3.2 (koude), 3.3 (tocht), 6.1 (niet ’s nachts werken) en 6.4 (geen ploegendienst), zoals opgenomen in de FML van 14 juni 2016, te schrappen, omdat deze beperkingen waren toegekend in verband met de niet-verzekerde hartklachten van appellant. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader gemotiveerd waarom geen beperking is aangenomen op de items 1.9.7 (veelvuldige deadlines en productiepieken), 1.9.8 (hoog handelingstempo) en 2.8 (omgaan met conflicten). Op basis van de gewijzigde FML van 10 juni 2022 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nieuwe functies geselecteerd en geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 11 juli 2015 32,30% bedraagt en hij dus onveranderd 25 tot 35% arbeidsongeschikt is.
2.2.
Appellant heeft in reactie op de rapporten van het Uwv aangevoerd dat het in dit stadium van de procedure schrappen van beperkingen in strijd is met de goede procesorde. Bovendien was de opdracht in de tussenuitspraak aan het Uwv om enkel te bezien welke beperkingen moeten worden aangenomen in verband met het medicatiegebruik van appellant. Verder meent appellant dat de beperkingen op items 1.9.7, 1.9.8, 2.8, 3.1, 3.2, 3.3, 6.1 en 6.4 het gevolg zijn van zijn rugklachten en het in verband daarmee samenhangende medicatiegebruik.
3. De Raad oordeelt als volgt.
3.1.
Het geschil spitst zich toe op de beperkingen die voortvloeien uit de verzekerde klachten van appellant. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Uwv hiervoor aanvullende beperkingen aangenomen.
3.2.
De stelling van appellant dat hij aanvullend beperkt moet worden geacht op de items 1.9.7, 1.9.8 en 2.8 wordt niet gevolgd. In de FML van 14 juni 2016 met de verzekerde klachten zijn op deze items geen beperkingen aangenomen. Deze beperkingen staan wel in een FML van 6 juni 2016, maar bij die FML is ook rekening gehouden met de niet-verzekerde hartklachten. Ook zijn deze beperkingen opgenomen in een FML van 27 oktober 2016, maar ook deze FML betreft een FML met beperkingen voor verzekerde en niet-verzekerde klachten. Voor de stelling van appellant dat deze beperkingen zijn aangenomen vanwege zijn medicatie-gebruik zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden. Appellant heeft ook niet met medische stukken onderbouwd dat hij op de datum in geding vanwege zijn verzekerde klachten op deze items beperkt was.
3.3.
Appellant wordt wel gevolgd in zijn standpunt over het vervallen van de beperkingen op de items 3.1 (hitte), 3.2 (koude), 3.3 (tocht), 6.1 (niet ’s nachts werken) en 6.4 (geen ploegendiensten). Deze beperkingen zijn door de primaire arts opgenomen in de FML van 14 juni 2016, waarbij expliciet is opgemerkt dat dit een FML met alleen de verzekerde klachten betreft. Dat een medische onderbouwing van de primaire verzekeringsarts voor deze beperkingen in de FML ontbreekt, omdat het hierbij behorende medisch rapport niet meer beschikbaar is, mag – zoals het Uwv ook heeft gesteld – niet ten nadele van appellant komen. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkens het rapport van 26 oktober 2016 niet gesteld dat deze beperkingen op de FML van 14 juni 2016 niet juist zouden zijn. Dat deze beperkingen enkel in verband met de niet-verzekerde hartklachten zijn aangenomen, blijkt ook niet uit het rapport van de arbeidsdeskundigen. Verder heeft appellant er terecht op gewezen dat de vervallen beperkingen op hitte, koude en tocht in het verzekeringsgeneeskundig protocol Aspecifieke lage rugpijn en de STECR-werkwijzer Lage rugpijn worden beschreven als beperkingen die het gevolg kunnen zijn van rugklachten. Gelet op deze omstandigheden en het stadium waarin de procedure zich inmiddels bevindt is een dergelijke wijziging van de FML ten nadele van appellant thans niet meer geoorloofd.
3.4.
Uit wat in 3.3 is overwogen volgt dat het bestreden besluit nog steeds niet is gebaseerd op een deugdelijke medische grondslag. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv zal de FML, geldend vanaf 11 juli 2015, moeten aanpassen met inachtneming van wat in 3.3 is overwogen. Vervolgens zal het Uwv moeten bezien wat deze aanpassing van de FML betekent voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 12 juli 2015.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 19 juli 2018 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van N. Zwijnenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2023.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) N. Zwijnenberg