ECLI:NL:CRVB:2023:268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, een verkoopmedewerkster die zich ziek meldde na haar bevallingsverlof, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, onder meer omdat de medische beperkingen volgens de verzekeringsarts voldoende waren gemotiveerd en de rugklachten niet objectief konden worden vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische klachten ernstiger waren en dat zij revalidatie nodig had. De Raad oordeelde dat deze nieuwe informatie geen aanleiding gaf tot herziening van het eerdere oordeel, omdat de medische situatie op de datum van beoordeling (30 maart 2020) niet anders was dan eerder vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, waarmee de weigering van de WIA-uitkering stand hield.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.