ECLI:NL:CRVB:2023:278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening bij intrekking bijstand wegens onduidelijk vermogen in buitenland
Verzoekster ontvangt sinds 1998 bijstand en sinds 2018 bijstand naar de norm voor gehuwden. Het college startte een onderzoek naar mogelijk vermogen van verzoekster in Marokko, waaruit bleek dat zij mede-eigenaar was van een woning met een waarde van circa €125.288. Verzoekster weigerde gegevens te verstrekken over dit mede-eigendom, waarop het college de bijstand introk per 30 augustus 2019. Een nieuwe aanvraag van verzoekster in februari 2020 werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster tegen deze besluiten ongegrond. Verzoekster stelde in hoger beroep en vroeg om een voorlopige voorziening om behandeld te worden alsof het beroep gegrond was. De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang en concludeerde dat verzoekster geen actueel financieel spoedeisend belang had, zoals dreigende huisuitzetting of afsluiting van energie.
De voorzieningenrechter overwoog dat de bodemprocedure gepland staat op 23 mei 2023 en dat verzoekster het verdere verloop van de procedure kan afwachten. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.