ECLI:NL:CRVB:2023:295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering na medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant, werkzaam als operator en later controleur inpakker, meldde zich ziek met knie- en rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering per 25 november 2015 en later per 21 november 2017, omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige beoordelingen onderschreef.
In hoger beroep stelde appellant dat de medische beoordeling onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen werden onderschat, met name de klachten aan de rechterknie en schouder die na de initiële beoordeling waren ontstaan. De Raad oordeelde dat het UWV terecht de medische en arbeidskundige rapporten had betrokken en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Wel stelde de Raad vast dat het UWV in het eerste besluit niet de aanspraken per einde wachttijd (21 november 2017) had beoordeeld, waardoor dat deel van het beroep gegrond werd verklaard.
De Raad vernietigde daarom het besluit van 18 mei 2018 voor zover het niet over de aanspraken per 21 november 2017 ging, maar verklaarde het beroep tegen het besluit van 21 december 2021 ongegrond. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt deels gegrond verklaard en het besluit van 18 mei 2018 vernietigd voor zover niet is beslist over de aanspraken per 21 november 2017; het beroep tegen het besluit van 21 december 2021 wordt ongegrond verklaard.