ECLI:NL:CRVB:2023:301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering bevestigd
Appellant, laatstelijk werkzaam als operator, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant belastbaar is met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en berekende de arbeidsongeschiktheid op 57,57%.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit ongegrond. De rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigde dit oordeel, waarbij zij het deskundigenrapport van appellant niet voldoende vond om de FML aan te passen. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij ernstiger klachten had, waaronder pijn en slaapstoornissen, en vroeg om een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er geen medische grondslag is voor aanpassing van de FML of urenbeperking. De rapporten van de verzekeringsartsen zijn voldoende gemotiveerd en sluiten aan bij de klachten. Ook de arbeidsdeskundige heeft de geschiktheid voor geselecteerde functies overtuigend onderbouwd. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van 57,57% is juist vastgesteld en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.