ECLI:NL:CRVB:2023:309
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen bijzondere bijstand voor inrichtings- en stofferingskosten wegens voorzienbaarheid en spaarmogelijkheid
Appellant, die sinds 1996 bijstand ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtings- en stofferingskosten van €1.425,26. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat deze kosten voorzienbaar waren en appellant hiervoor had moeten sparen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat dergelijke kosten tot de incidenteel voorkomende, algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren en dat bijzondere bijstand alleen mogelijk is bij bijzondere omstandigheden.
In hoger beroep stelde appellant dat de bijstandsnorm onvoldoende is om noodzakelijke kosten te dekken en sparen onmogelijk maakt, en dat de kosten vanwege hun incidentele aard al bijzonder zijn. De Raad overwoog dat bijzondere bijstand alleen kan worden toegekend als kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en niet uit de norm kunnen worden voldaan. Inrichtings- en stofferingskosten zijn echter algemeen noodzakelijke kosten die tot het gangbare bestedingspatroon behoren, ook al zijn ze incidenteel.
Appellant maakte niet aannemelijk dat hij niet kon sparen, mede omdat hij ten tijde van de aanvraag bijstand ontving volgens de norm voor alleenstaanden en hij sinds 1996 bijstand ontvangt, waardoor sparen mogelijk was. De Raad concludeerde dat het hoger beroep faalt en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.