Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:321

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2023
Publicatiedatum
22 februari 2023
Zaaknummer
22/323 TOZO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:118 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in TOZO-zaak

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland in een TOZO-zaak. Kort na het indienen van het verweerschrift heeft het college het hoger beroep ingetrokken. Betrokkene heeft vervolgens verzocht om proceskostenvergoeding. De Centrale Raad van Beroep heeft het verzoek beoordeeld zonder zitting en geoordeeld dat het college op grond van artikel 8:118 Awb Pro in de proceskosten moet worden veroordeeld.

De kosten zijn begroot op € 837,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Het college had aangegeven bereid te zijn één punt aan proceskosten te vergoeden, wat door de Raad is overgenomen. De uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in aanwezigheid van griffier E. Blijleven-de Vries, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2023.

Deze uitspraak bevestigt dat bestuursorganen bij intrekking van hoger beroep op verzoek van de wederpartij kunnen worden veroordeeld tot vergoeding van de redelijk gemaakte proceskosten, conform de toepasselijke bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wordt veroordeeld tot betaling van € 837,- aan proceskosten aan betrokkene.

Uitspraak

Datum uitspraak: 22 februari 2023
22/323 TOZO, 22/610 TOZO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 december 2021, 21/3462 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld bij brief van 26 januari 2022.
Namens betrokkene heeft de heer [gemachtigde] (hierna [gemachtigde] ) bij brief van 22 februari 2022 gereageerd.
Bij brief van 23 februari 2022 heeft het college het hoger beroep ingetrokken.
Bij brief van 26 februari 2022 heeft [gemachtigde] namens betrokkene verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft bij schrijven van 11 april 2022 een reactie gegeven op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Hoewel in voormeld schrijven van 22 februari 2022 als onderwerp ‘Incidenteel hoger beroepschrift’ is vermeld, gaat het – gelet op inhoud en strekking van het schrijven – om een verweerschrift. Ook het college gaat daarvan uit, zo volgt uit de brief van 11 april 2022. Voorts heeft het college te kennen gegeven bereid te zijn tot vergoeding van één punt wegens proceskosten, zoals betrokkene ook heeft gevraagd.
Gelet hierop wordt het college veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 837,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2023.
(getekend) J.J. Janssen
(getekend) E. Blijleven-de Vries
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2023.