ECLI:NL:CRVB:2023:325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-aanvraag wegens onvoldoende bewijs van verzekeringsperiode in Nederland
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor toekenning van een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees deze aanvraag af omdat appellant niet verzekerd zou zijn geweest voor de AOW. Appellant stelde in hoger beroep dat hij in Nederland had gewoond en gewerkt als stratenmaker tussen 1975 en 1984.
De Svb voerde een onderzoek uit waarbij werd nagegaan of appellant in het bevolkingsregister van Amsterdam was ingeschreven. Ondanks dat appellant diverse bewijsstukken overlegde, kwamen de namen en geboortedata op deze stukken niet overeen met de naam op de aanvraag. De gemeente Amsterdam kon geen inschrijving vinden die overeenkwam met de opgegeven gegevens. Appellant voldeed ook niet aan het verzoek om aanvullende documenten te overleggen.
De Raad oordeelde dat het onderzoek van de Svb zorgvuldig was en dat de overgelegde stukken onvoldoende bewijs vormden dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Hierdoor was niet aannemelijk dat appellant verzekerd was geweest voor de AOW in de relevante periode. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de AOW-aanvraag bevestigd.