ECLI:NL:CRVB:2023:351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet meewerken huisbezoek
Appellante ontving bijstand sinds september 2015 en werd onderzocht naar aanleiding van anonieme meldingen over haar situatie. Op 21 januari 2019 weigerde zij volledige medewerking aan een huisbezoek van de gemeente Rotterdam, waarna de bijstand met ingang van die datum werd ingetrokken en een bedrag van €398,08 werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij door psychische problemen, waaronder een postnatale depressie en het gebruik van antidepressiva, niet in staat was medewerking te verlenen en dat de medewerkers zich onheus gedroegen. De Raad stelde dat appellante deze omstandigheden niet aannemelijk had gemaakt met medische stukken of andere bewijzen.
De Raad oordeelde dat de medewerkingsplicht aan een huisbezoek onder bepaalde omstandigheden kan worden beperkt, maar appellante had onvoldoende onderbouwd dat zij niet kon meewerken of dat het gedrag van de medewerkers zodanig was dat voortzetting van het huisbezoek niet van haar kon worden verlangd. De intrekking en terugvordering van de bijstand blijven daarom in stand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens onvoldoende medewerking aan het huisbezoek worden bevestigd.