ECLI:NL:CRVB:2023:353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering wachtgeld wegens inkomsten uit eigen bedrijf
Appellant, voormalig beroepsmilitair, ontving vanaf 1 januari 2018 tot 14 april 2020 wachtgeld op grond van de Militaire wachtgeldregeling 1961 (Mwr). Na informatie over zijn inkomsten uit zijn eigen eenmanszaak in 2018 besloot de staatssecretaris het wachtgeld over dat jaar te verminderen en het te veel betaalde bedrag van € 6.344,36 terug te vorderen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens gewijzigde motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn inkomsten niet het gevolg waren van verhoogde werkzaamheid of ontslaggerelateerde oorzaken en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden. De Raad oordeelde dat appellant dit niet aannemelijk had gemaakt en dat de staatssecretaris terecht artikel 6, derde lid, Mwr toepaste. Ook was geen aanleiding om de hardheidsclausule van artikel 6, vijfde lid, toe te passen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. Hiermee blijft de terugvordering van het te veel betaalde wachtgeld van kracht.
Uitkomst: De terugvordering van te veel betaald wachtgeld van € 6.344,36 wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.