Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:358

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 februari 2023
Publicatiedatum
24 februari 2023
Zaaknummer
21/3653 WIA-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep bevestigt recht op IVA-uitkering wegens duurzame volledige arbeidsongeschiktheid

Appellante was sinds 6 mei 2015 arbeidsongeschikt en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering. Na een verzoek tot herbeoordeling door haar ex-werkgever stelde het UWV op 13 februari 2020 dat haar arbeidsongeschiktheid was verminderd tot 55,96%, maar dat haar uitkering ongewijzigd bleef. Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing, waarna het UWV op 29 september 2020 besloot de WIA-uitkering ongewijzigd voort te zetten, maar geen IVA-uitkering toe te kennen omdat volgens het UWV geen sprake was van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stond enkel de vraag centraal of de arbeidsongeschiktheid per 27 januari 2020 volledig en duurzaam was, zodat recht op een IVA-uitkering bestond. De Centrale Raad oordeelde dat de verzekeringsarts onvoldoende had onderbouwd dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. Het UWV kon geen aanvullende motivering geven dat herstel mogelijk was.

Daarom werd aangenomen dat appellante per genoemde datum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, en werd het beroep gegrond verklaard. Het besluit van 29 september 2020 werd vernietigd en het UWV werd verplicht de IVA-uitkering toe te kennen met ingang van 27 januari 2020. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.

Uitkomst: Appellante heeft recht op een IVA-uitkering vanaf 27 januari 2020 wegens duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

21.3653 WIA-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2021, 20/5890 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 februari 2023
Zitting heeft: A.I. van der Kris
Griffier: O.N. Haafkes
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar vader [naam vader] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- vernietigt het besluit van 29 september 2020 voor zover daarbij is bepaald dat de WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 27 januari 2020 ongewijzigd wordt voortgezet en bepaalt dat appellante met ingang van 27 januari 2020 recht heeft op een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 29 september 2020;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 182,- vergoedt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Aan appellante is met ingang van 6 mei 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 6 december 2015 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij het Uwv appellante onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt heeft geacht. Op 11 november 2019 heeft de ex-werkgever van appellante verzocht om een herbeoordeling van de arbeidsgeschiktheid. Bij besluit van 13 februari 2020 heeft het Uwv bepaald dat appellante vanaf 27 januari 2020 meer arbeidsgeschikt is dan voorheen, de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum 55,96% bedraagt en dat de hoogte van haar WIAuitkering op dat moment niet wijzigt. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 29 september 2020 gegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellante op 27 januari 2020, 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en dat de WIA-uitkering van appellante ten onrechte is verlaagd. Het Uwv heeft het besluit van 13 februari 2020 ingetrokken en besloten de WIA-uitkering per 27 januari 2020 ongewijzigd voort te zetten. Het Uwv heeft geen IVA-uitkering toegekend, omdat volgens het Uwv geen sprake was van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 29 september 2020 ongegrond verklaard.
Ter zitting is besproken dat tussen partijen enkel nog in geschil is of de arbeidsongeschiktheid van appellante op 27 januari 2020 moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellante per die datum recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGAloonaanvullingsuitkering. Volgens vaste rechtspraak moet de verzekeringsarts bij de beoordeling van de duurzaamheid een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 28 september 2020 en 19 januari 2022 ontoereikend onderbouwd dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante per 27 januari 2020 niet duurzaam was. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting toegelicht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet uitgebreider en inzichtelijker, toegespitst op de concrete situatie van appellante, zal kunnen motiveren dat er op de datum in geding nog behandelmogelijkheden waren voor appellante en dat verbetering van de belastbaarheid mogelijk was. Gelet daarop wordt ervan uitgegaan dat een deugdelijke motivering van het standpunt dat per 27 januari 2020 geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid niet meer kan worden gegeven. Daarom wordt aangenomen dat appellante op 27 januari 2020 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Appellante heeft daarom met ingang van die datum recht op een IVA-uitkering.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) O.N. Haafkes (getekend) A.I. van der Kris