ECLI:NL:CRVB:2023:366

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2023
Publicatiedatum
28 februari 2023
Zaaknummer
20/3053 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Tijdens de procedure nam het UWV op 11 november 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarbij het volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Vervolgens trok appellante op 22 december 2022 het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het onderzoek gesloten. Op basis van artikel 8:75a en 8:108 Awb is het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken voor de behandeling van het beroep en hoger beroep.

De proceskostenvergoeding is vastgesteld op in totaal €1.674,-, bestaande uit €837,- voor het indienen van het beroepschrift en €837,- voor het indienen van het hogerberoepschrift. Voor het griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het UWV wenden. De uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander in aanwezigheid van griffier H. Alajai op 28 februari 2023.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €1.674,- aan proceskosten aan appellante.

Uitspraak

Datum uitspraak: 28 februari 2023
20/3053 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
24 juli 2020, 19/4282 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] , gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 11 november 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 22 december 2022 heeft [gemachtigde] namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 november 2022 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 837,-in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift) en € 837,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift) voor verleende rechtsbijstand. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 1.674,-
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) H. Alajai