Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:369

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 februari 2023
Publicatiedatum
28 februari 2023
Zaaknummer
22/1947 ZW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling

De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen het besluit van het UWV om haar recht op ziekengeld per 22 oktober 2020 te beëindigen. Het UWV stelde vast dat appellante meer dan 65% van haar oorspronkelijke loon kon verdienen, hoewel zij niet meer in staat werd geacht haar oorspronkelijke werk als verkoopster te verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en de belastbaarheid correct had ingeschat.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen waren onderschat en dat het UWV had moeten wachten met de beoordeling vanwege haar revalidatie en het vooruitzicht van een nieuwe operatie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze gronden herhalingen waren van eerdere bezwaren en dat er geen medische informatie was die de beoordeling zou moeten wijzigen. De tweede operatie vond pas in oktober 2021 plaats, na de datum van beoordeling.

Het aanvullende rapport van de verzekeringsarts bevestigde dat er geen nieuwe medische feiten waren die tot aanpassing van de functionele mogelijkhedenlijst zouden leiden. Omdat appellante haar standpunten niet met medische gegevens onderbouwde, werd de uitkomst van het medisch onderzoek door het UWV niet betwijfeld. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellante is terecht beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar loon kan verdienen.

Uitspraak

22.1947 ZW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 mei 2022, 21/1382 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 februari 2023
Zitting heeft: T. Dompeling
Griffier: D. Schaap
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2023. Voor appellante is ter zitting verschenen mr. K.E.J. Dohmen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Heijnen-Veldman.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1.
Naar aanleiding van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) heeft het Uwv bij besluit van 18 september 2020 het recht op ziekengeld van appellante per 22 oktober 2020 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar werk als verkoopster in een kledingwinkel, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies.
1.2.
Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 september 2020 bij besluit van 1 april 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante op de datum in geding, 22 oktober 2020, onjuist heeft ingeschat. Dat appellante ten tijde van de medische beoordeling nog niet klaar was met haar revalidatietraject kan volgens de rechtbank niet leiden tot een ander oordeel. De verzekeringsartsen zijn bij het vaststellen van de beperkingen van appellante immers uitgegaan van de klachten die appellante op het moment van beoordelen had en een revalidatietraject is erop gericht om verbetering van de klachten te bewerkstelligen.
3. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd komen er met name op neer dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Deze gronden zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Dat het Uwv volgens appellante als gevolg van haar revalidatie en het vooruitzicht van een nieuwe operatie had moeten wachten met de EZWb, wordt niet gevolgd. Appellante voldoet, zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting terecht heeft betoogd, niet aan de uitzonderingen op grond waarvan het Uwv geen duurzaam benutbare mogelijkheden had moeten vaststellen. Niet gebleken is dat bij appellante tijdens de beoordeling door de verzekeringsartsen sprake was van een situatie waarbij zij binnen drie maanden (tijdelijk) geen benutbare mogelijkheden zou hebben. Op het moment van beoordelen stond nog niet vast dat er een tweede operatie zou volgen. Deze operatie heeft eerst in oktober 2021 plaatsgevonden en kan dus niet van invloed zijn op de hier voorliggende beoordeling. In het aanvullende rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 februari 2023 is voorts op een inzichtelijke wijze uiteengezet dat de aanwezige medische informatie geen nieuwe medische feiten bevat op grond waarvan de Functionele Mogelijkhedenlijst moet worden bijgesteld. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunten niet met medische informatie onderbouwd. Dit betekent dat niet wordt getwijfeld aan de uitkomst van het medisch onderzoek door het Uwv. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend.) D. Schaap (getekend.) T. Dompeling