ECLI:NL:CRVB:2023:37
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing toekenning bijstand als geldlening wegens vermogen
Appellante heeft op 21 november 2019 een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht kende haar bijstand toe in de vorm van een geldlening, omdat zij voorafgaand beschikte over een vermogen van bijna €40.000 en te snel op dat vermogen had ingeteerd.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat een deel van het geld op een van haar bankrekeningen niet tot haar vermogen behoorde omdat zij dat geld voor haar moeder beheerde en er niet vrij over kon beschikken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het tegoed op een bankrekening op naam van appellante in beginsel tot haar vermogen behoort, tenzij tegenbewijs wordt geleverd. Appellante slaagde er niet in dit tegenbewijs te leveren, ondanks dat de Raad haar in een regiebrief de gelegenheid gaf haar stellingen te onderbouwen. Zij gaf geen nadere informatie over de omvang van het beheerde vermogen of beperkingen in haar beschikkingsmacht.
Daarmee bleef onduidelijk welk deel van het vermogen aan haar moeder toebehoorde en of zij daadwerkelijk niet vrij kon beschikken over de gelden. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand wordt toegekend als geldlening omdat het vermogen inclusief de banktegoeden van appellante wordt meegeteld.