Appellante viel op 18 juli 2016 uit voor haar werkzaamheden en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze per 16 juli 2018 toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarbij zij de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als juist beoordeelde en de rapporten van de door appellante ingeschakelde arts onvoldoende vond.
In hoger beroep voerde appellante aan volledig arbeidsongeschikt te zijn, met klachten zoals artrose en dunne vezel neuropathie die onvoldoende waren meegewogen. Zij overhandigde nieuwe medische stukken en stelde dat de geselecteerde functies haar belastbaarheid overschreden. Het UWV handhaafde haar standpunt.
De Raad overwoog dat de medische beoordeling van het UWV en de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend was, inclusief de diagnose dunne vezel neuropathie. De door appellante aangevoerde beperkingen werden niet onderbouwd met medische feiten die een verdere urenbeperking rechtvaardigen. Ook het betoog over ADL-afhankelijkheid werd niet gevolgd. De geselecteerde functies waren passend bij de belastbaarheid.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de redelijke termijn in bezwaar- en beroepsfase was overschreden. Het UWV en de Staat werden veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van respectievelijk €143 en €857. Beide partijen werden ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellante.
De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.