ECLI:NL:CRVB:2023:380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig monteur, meldde zich in juli 2017 ziek met lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering per 18 juli 2019 toe te kennen. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij de functionele mogelijkhedenlijst (FML) werd aangepast, maar het UWV handhaafde het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsberekening was gebaseerd medisch passend waren. Appellant stelde in hoger beroep dat het onderzoek onvolledig was, met name dat niet alle medische informatie en medicatiegebruik was betrokken en dat de geschiktheid van de functies betwist werd.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische gegevens zorgvuldig had gewogen, dat de longklachten en medicatiegebruik onvoldoende aanleiding gaven tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid op de peildatum, en dat de functies passend waren. Ook de latere toekenning van een IVA-uitkering per 2021 deed hieraan niet af omdat die betrekking had op een latere situatie.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.