Appellante heeft in mei 2019 twee aanvragen ingediend bij het college voor bijzondere bijstand, één voor fysiotherapiekosten en één voor deurwaarderskosten. Het college reageerde niet tijdig en stelde dat de aanvragen niet bekend waren, waardoor het geen dwangsommen verschuldigd was. Appellante stuurde ingebrekestellingen, waarop het college niet adequaat reageerde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de ingebrekestellingen wel voldeden aan de wettelijke eisen. De Raad stelt dat het college dwangsommen heeft verbeurd omdat het niet tijdig heeft beslist, ondanks dat de aanvragen bij het college in het ongerede waren geraakt.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en stelt de dwangsommen vast op het maximum van 42 dagen, in totaal € 2.884,-. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.