ECLI:NL:CRVB:2023:551

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 maart 2023
Publicatiedatum
24 maart 2023
Zaaknummer
22/988 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellante was sinds 2011 arbeidsongeschikt en ontving vanaf januari 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering. In 2016 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna haar uitkering werd beëindigd. Na een nieuwe ziekmelding in 2017 en aanvullend onderzoek werd haar in 2019 opnieuw een WGA-uitkering toegekend, gebaseerd op een functionele mogelijkhedenlijst en arbeidsdeskundig onderzoek.

Het UWV beëindigde de uitkering per 29 december 2020 omdat de arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 31,65%. Appellante voerde aan dat zij niet adequaat was gehoord, dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat haar psychische en fysieke klachten onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.

De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht, waarbij informatie van huisarts, PsyQ en fysiotherapeut is betrokken. De verzekeringsarts heeft gemotiveerd geen lichamelijk onderzoek te verrichten en heeft rekening gehouden met de beperkingen. De geselecteerde functies zijn medisch geschikt bevonden. De Raad wijst de bezwaren van appellante af en bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 29 december 2020.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 29 december 2020.

Uitspraak

22.988 WIA

Datum uitspraak: 23 maart 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 februari 2022, 20/6407 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. Seme, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Seme. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als administratief medewerker voor 37 uur per week. Op 6 januari 2011 heeft zij zich ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van januari 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%.
1.1.
Bij besluit van 3 november 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 4 januari 2017 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2017 ongegrond verklaard.
1.2.
Op 14 november 2017 heeft appellante zich met ingang van 1 november 2017 ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Het Uwv heeft aan appellante een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend.
1.3.
In het kader van een aanvraag op grond van de Wet WIA heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 november 2019, geldig vanaf 11 september 2019. Deze FML is tevens geldig vanaf 1 november 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft per 1 november 2017 geen passende functies kunnen selecteren. Per 11 september 2019 heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend.
1.4.
Bij besluit van 6 december 2019 heeft het Uwv appellante met ingang van 1 november 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend omdat zij met ingang van die datum 100% arbeidsongeschikt is. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat de beperkingen van appellante (uit dezelfde oorzaak) zijn toegenomen binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 4 januari 2017. Bij besluit van eveneens 6 december 2019 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 1 november 2019 35,93% arbeidsongeschikt is.
1.5.
Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 18 februari 2020 heeft het Uwv het onder 1.1. genoemde besluit van 27 februari 2017 ingetrokken en de WGA-uitkering van appellante na 4 januari 2017 ongewijzigd voortgezet. Aan dit besluit ligt een rapport van 21 januari 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 11 februari 2020 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
1.6.
Het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 6 december 2019 heeft het Uwv bij besluit van 28 oktober 2020 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft vastgesteld dat de WGA-loonaanvullingsuitkering vanaf 1 november 2017 wordt voortgezet in plaats van toegekend. Verder heeft het Uwv het tweede besluit van 6 december 2019 herroepen in die zin dat de WIA-uitkering per 29 december 2020 wordt beëindigd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 31,65%. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 8 oktober 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 22 oktober 2020 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft bij mondelinge uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische conclusies. Het Uwv heeft de WIA-uitkering bij de beslissing op bezwaar met inachtneming van een redelijke uitlooptermijn ingetrokken.
3. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om haar bezwaar en haar beroep toe te lichten. In bezwaar mocht haar gemachtigde tijdens de hoorzitting geen juridische opmerkingen maken. In beroep heeft appellante de uitnodiging voor de zitting niet ontvangen omdat de post tijdelijk niet werd bezorgd op het kantooradres van haar gemachtigde. Hierdoor is haar een rechtsgang ontnomen. Dit heeft stress veroorzaakt en kosten met zich mee gebracht. Verder heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen aanknopingspunten heeft gezien voor het oordeel dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is verricht. De verzekeringsartsen hebben appellante ten onrechte niet lichamelijk onderzocht. Appellante acht het onbegrijpelijk dat de verzekeringsartsen ervan uitgaan dat haar belastbaarheid in 2019 is toegenomen. Zij heeft gesteld dat in de FML van 14 november 2019 onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische klachten (hallucinaties en psychotische klachten) en met haar fysieke beperkingen. Ook de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante adequaat reageert, klopt niet. Verder motiveert deze verzekeringsarts niet waarom er geen aanleiding is om de FML te wijzigen. Ten slotte acht appellante de geselecteerde functies niet geschikt gelet op haar psychische en fysieke klachten.
3.1.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft in hoger beroep een nader rapport ingebracht van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 september 2022.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 1 november 2019 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-uitkering van appellante met ingang van 29 december 2020 heeft beëindigd.
4.3.
Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat haar een rechtsgang is ontnomen. Met betrekking tot de gang van zaken in bezwaar is van de kant van het Uwv ter zitting gewezen op een brief van 17 december 2020 waarin appellante in de gelegenheid is gesteld om alsnog juridische gronden in te dienen. Hiervan heeft appellante geen gebruik gemaakt. Ten aanzien van de behandeling van het beroep bevat het dossier geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellantes gemachtigde niet tijdig en op de juiste wijze voor de zitting van de rechtbank van 4 februari 2022 is uitgenodigd. De uitnodiging voor de zitting is naar het juiste kanrooradres van appellantes gemachtigde gezonden en deze uitnodiging is niet retour gekomen. De gemachtigde van appellante heeft gesteld dat op haar kantooradres tijdelijk geen post werd bezorgd en dat zij hierover contact heeft opgenomen met de rechtbank. Dit blijkt niet uit het dossier.
4.4.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De beschikbare informatie van de huisarts, PsyQ en de fysiotherapeut is kenbaar bij de beoordeling betrokken. Er zijn geen aanwijzingen dat er medische informatie is gemist. Uit deze informatie is gebleken dat bij neurologisch onderzoek geen afwijkingen zijn vastgesteld. Ten aanzien van de psychische klachten heeft psychiater R. Kamstra van PsyQ in zijn brief van 14 februari 2020 de volgende diagnoses genoemd: PTSS; depressie, herhaald, gedeeltelijk in remissie; dysthyme stoornis; ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis; partnerrelatieproblemen. Verder is in deze brief vermeld dat een gestarte EMDR-behandeling werd gestaakt omdat er een risico leek te zijn om verder te destabiliseren (angst voor psychotische decompensatie). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 8 oktober 2020 inzichtelijk gemotiveerd dat geen aanleiding bestond om bij appellante een lichamelijk onderzoek te verrichten. Verder heeft deze verzekeringsarts navolgbaar toegelicht dat met de aangenomen beperkingen voldoende rekening is gehouden met de whiplashklachten en de psychische klachten van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat in de FML van 14 november 2019 aanzienlijke beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren zijn aangegeven. Ook is appellante aangewezen geacht op fysiek lichte belastingen en werd ze beperkt voor nacht- en avondwerk. Voor een verdergaande urenbeperking werd onvoldoende onderbouwing gezien vanuit geobjectiveerde ziekte of gebrek. In wat appellante heeft aangevoerd, is geen aanknopingspunt voor twijfel gelegen aan deze inzichtelijk gemotiveerde toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft niet met medische stukken onderbouwd dat op de datum in geding, 1 november 2019, sprake was van psychotische klachten. Naar aanleiding van de in hoger beroep ingebrachte brieven van 12 april 2021 en van 7 september 2022 van de fysiotherapeut heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 27 september 2022 vermeld dat deze brieven een weergave bevatten van de door appellante ervaren klachten en dat er geen objectief medische onderzoeksbevindingen worden vermeld. Deze verzekeringsarts heeft in deze informatie terecht geen aanleiding gezien om verdergaande beperkingen in de FML op te nemen.
4.5.
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van O.N. Haafkes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2023.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) O.N. Haafkes