ECLI:NL:CRVB:2023:578
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WGA-vervolguitkering na zorgvuldige beoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig steigerbouwer, meldde zich ziek met lichamelijke en later ook psychische klachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 64,16%. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid stelde een verzekeringsarts beperkingen vast en berekende een arbeidsongeschiktheid van 48,08%, waarop het UWV de WGA-vervolguitkering herzag naar 45-55%.
Appellant voerde bezwaar en beroep aan tegen deze herziening, stellende dat het onderzoek niet zorgvuldig was en zijn beperkingen werden onderschat. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld. Ook de arbeidsdeskundige had voldoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellant passen.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de verzekeringsarts de nekhernia en verminderde handkracht had erkend en dat er geen nieuwe medische informatie was die het oordeel kon weerleggen. De Raad bevestigde dat de beoordeling uitsluitend betrekking heeft op de situatie per 1 februari 2020 en wees het hoger beroep af.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de herziening van de WGA-vervolguitkering en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WGA-vervolguitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.