ECLI:NL:CRVB:2023:579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 17 mei 2017 ziek gemeld en ontving vanaf 15 mei 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 8 maart 2021 kende het UWV haar een WGA-loonaanvullingsuitkering toe, maar weigerde een IVA-uitkering toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de verzekeringsarts een zorgvuldige en inzichtelijke beoordeling had gemaakt op basis van medische rapporten en het Beoordelingskader duurzaamheid.
In hoger beroep voerde appellante aan dat geen verbetering te verwachten was en dat zij niet akkoord ging met de conclusies van Medinello, onderbouwd met een e-mail over een kwijtgescholden factuur en een tussentijds fysiotherapieverslag. Het UWV handhaafde haar standpunt. De Raad concludeerde dat het geschilpunt de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid op 15 mei 2021 betrof. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat de verzekeringsarts voldoende had gemotiveerd dat er nog behandelmogelijkheden waren en een reële kans op verbetering bestond.
Appellante bracht geen nieuwe medische informatie in die een ander oordeel zou rechtvaardigen. De brief van de fysiotherapeut betrof een latere datum en de e-mail van Medinello had geen inhoudelijke relevantie voor de duurzaamheid. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een IVA-uitkering per 15 mei 2021 omdat haar volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is.