ECLI:NL:CRVB:2023:585

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 maart 2023
Publicatiedatum
30 maart 2023
Zaaknummer
21 / 1793 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten wegens onduidelijke inkomens- en vermogenspositie

In deze zaak ging het om de vraag of appellant recht had op bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten en griffierecht. Het college van burgemeester en wethouders van Weert had de aanvraag afgewezen omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

Op 24 oktober 2019 werden in de woning van appellant grote hoeveelheden hennep en hasj, weegschalen en contant geld aangetroffen. De hoeveelheid drugs wees op handel, en het contante geld werd geacht deel uit te maken van het vermogen van appellant. Appellant kon niet met controleerbare gegevens aantonen dat deze zaken niet van hem waren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht het recht op bijstand niet kon vaststellen vanwege de onduidelijke financiële situatie van appellant. De onschuldpresumptie in de strafzaak tegen appellant werd niet geschonden door de bestuursrechtelijke procedure niet aan te houden. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten en griffierecht wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de inkomens- en vermogenspositie van appellant.

Uitspraak

21.1793 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 mei 2021, 20/1870 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Weert (college)
Datum uitspraak: 14 maart 2023
Zitting heeft: mr. E.C.E. Marechal
Griffier: N. van de Horn
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2023. Namens appellant is per videoverbinding mr. W.H.A. Bos, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Demas.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten en de kosten van griffierecht terecht heeft afgewezen. In dat kader is van belang de vraag of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.
Niet in geschil is dat op 24 oktober 2019 in de woning van appellant – onder meer – bijna 2 kilo hennep, ruim 700 gram hasj, weegschalen, droogrekjes en gripzakjes zijn aangetroffen. Op grond van de hoeveelheid van de aangetroffen hennep en hasj is de conclusie gerechtvaardigd dat deze is bestemd voor handel. Appellant heeft zijn stelling dat de in zijn woning aangetroffen zaken niet van hem zijn, niet onderbouwd met controleerbare gegevens.
Verder is niet in geschil dat op 24 oktober 2019 een bedrag van € 8.200,- aan contant geld in de woning van appellant is aangetroffen. Indien een betrokkene in het bezit is van een bedrag aan contant geld, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat dit bedrag een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij/zij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Appellant is hier niet in geslaagd. Hij heeft slechts gesteld dat het geld niet van hem was, maar heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet is vast te stellen omdat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn inkomens- en vermogenspositie.
Dat er tot op heden geen uitspraak is gedaan in de strafzaak tegen appellant maakt, anders dan appellant heeft aangevoerd, niet dat de onschuldpresumptie is geschonden. Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 11 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3937, brengt de onschuldpresumptie niet met zich dat de bestuursrechtelijke procedure, waarin zich geschilpunten voordoen die samenhangen met de strafrechtelijke procedure, moet worden aangehouden totdat de strafrechtelijke procedure is afgerond. Uit de bewoordingen van het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak blijkt niet dat het college en de rechtbank de gedragingen van appellant strafrechtelijk hebben gekarakteriseerd en dat zij hun eigen forum te buiten zijn gegaan.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) N. van der Horn (getekend) E.C.E. Marechal