ECLI:NL:CRVB:2023:598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens vaststellingsovereenkomst in Ziektewet-uitkeringszaak
Appellant verzocht het UWV om terug te komen op een besluit uit 2016 waarin een Ziektewet-uitkering werd afgewezen. Het UWV wees dit verzoek in 2021 af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Appellant stelde beroep in en vroeg tevens herziening van een eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. De rechtbank wees zowel het verzoek om herziening als het beroep af.
In hoger beroep stelde appellant dat er sprake was van meerdere dienstverbanden en wilde hij dat het UWV of de Raad deze vaststelden. De Centrale Raad van Beroep constateerde dat partijen in 2020 een vaststellingsovereenkomst sloten waarin afspraken zijn gemaakt over de Ziektewet-uitkering en waarin finale kwijting is opgenomen. Deze overeenkomst sluit nieuwe verzoeken over de periode voor 1 mei 2020 uit.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep binnen de reikwijdte van deze vaststellingsovereenkomst valt en daarom niet-ontvankelijk is. Indien appellant de rechtmatigheid van de vaststellingsovereenkomst wil betwisten, moet hij zich tot de burgerlijke rechter wenden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vaststellingsovereenkomst.