ECLI:NL:CRVB:2023:624
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor aflossing schuld zorgverzekeraar wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant en zijn ex-partner hebben bijzondere bijstand aangevraagd voor de aflossing van een schuld aan de zorgverzekeraar. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Participatiewet, dat bijstand voor schulden uitsluit.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag onvoldoende inkomen had en dat er sprake was van zeer dringende redenen vanwege het ontbreken van een buffer en de zorg voor drie kinderen. De Raad oordeelde dat appellant en zijn ex-partner na het ontstaan van de schuldenlast wel beschikten over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, waardoor artikel 13 PW Pro van toepassing is.
Daarnaast stelde de Raad dat de uitzonderingsgrond van artikel 49 PW Pro, die bijzondere bijstand mogelijk maakt bij zeer dringende redenen, niet van toepassing is. Volgens vaste jurisprudentie betreft dit situaties waarin dreigende huisuitzetting of afsluiting van nutsvoorzieningen aan de orde is, hetgeen hier niet is gesteld. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de afwijzing van de bijzondere bijstand bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor schuldaflossing wordt bevestigd wegens ontbreken van zeer dringende redenen.