ECLI:NL:CRVB:2023:639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig banketbakker, meldde zich ziek met lichamelijke en later ook psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij belastbaar was met beperkingen zoals vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en berekende haar arbeidsongeschiktheid op minder dan 35%, waardoor een WIA-uitkering werd geweigerd.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten, waaronder een knieblessure, liesbreukoperatie, voetzwelling en een depressieve stoornis met concentratieproblemen. Zij betoogde dat de geselecteerde functies ongeschikt waren en dat zij geen gelijke procespositie had.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren. De stelling van ongelijke procespositie werd verworpen omdat appellante voldoende gelegenheid had gehad haar standpunten te onderbouwen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van een WIA-uitkering bevestigd.