Uitspraak
22.1602 WIA
E.M.C. Beijen.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als medewerker buitendienst sales, meldde zich ziek in 2016 en kreeg in 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Na een toename van haar arbeidsongeschiktheid werd deze in 2020 vastgesteld op 71,82% op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidskundig onderzoek. Appellante maakte bezwaar en stelde dat een verdere urenbeperking dan 30 uur per week aangewezen was en dat de functie administratief ondersteunend medewerker niet passend was vanwege repeterende handelingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundige de belastbaarheid correct had beoordeeld. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere oordelen. Het medisch onderzoek en de FML waren adequaat, en er was onvoldoende medische onderbouwing voor een verdere urenbeperking.
Daarnaast werd vastgesteld dat de belasting van de functie administratief ondersteunend medewerker, met betrekking tot toetsenbord- en muisgebruik, binnen de belastbaarheid van appellante valt. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de urenbeperking van 30 uur per week passend is en dat appellante geschikt is voor de functie administratief ondersteunend medewerker.