ECLI:NL:CRVB:2023:648
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als voedingsassistente, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door haar revalidatiearts beperkt werd tot 16 uur passend werk per week, wat meer gewicht zou moeten krijgen dan het oordeel van de verzekeringsartsen. Het UWV handhaafde haar standpunt en verwees naar uitgebreide medische rapporten die de beperkingen en arbeidsongeschiktheid onderbouwden.
De Raad concludeert dat het hoger beroep geen nieuwe feiten of twijfel aan het medisch oordeel oplevert. De verklaring van de revalidatiearts was gebaseerd op een onjuiste vraagstelling en onvoldoende medisch onderbouwd voor passend werk. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het verzoek tot inschakeling van een deskundige af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.