Appellant was werkzaam als specialist orderafwikkeling en meldde zich ziek met enkel-, rug- en evenwichtsorgaanklachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsartsrapport vast dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk vanaf 9 december 2019 en weigerde daarom een Ziektewetuitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor een gewijzigde medische situatie.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer omdat geen lichamelijk onderzoek had plaatsgevonden en zijn beperkingen waren onderschat. Hij overlegde aanvullende medische informatie van specialisten en therapeuten. Het UWV verwees naar een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het onderzoek zorgvuldig was, dat de medische informatie geen aanleiding geeft tot twijfel aan het oordeel van de verzekeringsarts en dat appellant na 1 februari 2019 geen gewijzigde werkzaamheden had. De Raad bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.