ECLI:NL:CRVB:2023:722
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingangsdatum IVA-uitkering en vernietiging eerdere besluiten door Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 2009 arbeidsongeschikt en ontving vanaf 2011 een WGA-uitkering. Na meerdere herbeoordelingen stelde het UWV in 2019 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op circa 54,5% per 1 december 2018, wat leidde tot een WGA-vervolguitkering. Werkgeefster verzocht om herbeoordeling, waarna het UWV in 2022 een nieuw besluit nam dat appellante vanaf 1 december 2018 in aanmerking bracht voor een IVA-uitkering, met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, vanwege onvoldoende verschil tussen geselecteerde functies.
De rechtbank had eerder het beroep tegen het besluit van 2019 ongegrond verklaard, maar de Raad vernietigt deze uitspraak en het besluit van 2019, en betrekt het nieuwe besluit van 2022 in de beoordeling. De enige resterende geschilvraag is of de ingangsdatum van de IVA-uitkering terecht op 1 december 2018 is vastgesteld. De Raad bevestigt deze datum, gelet op de medische rapporten en het feit dat een eerdere datum niet ter beoordeling stond.
Verder veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante en werkgeefster, inclusief kosten van deskundigen en griffierechten, totaal €9.486,- plus griffierechten. Het beroep tegen het besluit van 2022 wordt ongegrond verklaard. De uitspraak is gedaan door H.G. Rottier en uitgesproken op 19 april 2023.
Uitkomst: De ingangsdatum van de IVA-uitkering is terecht vastgesteld op 1 december 2018; het beroep tegen deze datum wordt ongegrond verklaard.