Appellante, een verpleegkundige, is sinds 2001 arbeidsongeschikt en ontvangt een WAO-uitkering. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 45 tot 55%, een besluit dat eerder door de rechtbank en de Raad werd bevestigd. Appellante stelde zich volledig arbeidsongeschikt en betwistte de vastgestelde beperkingen.
Na een herbeoordeling door verzekeringsartsen en een zorgvuldige medische toetsing, waarbij ook informatie van verschillende specialisten en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd betrokken, concludeerde het UWV dat er geen sprake was van een toename van beperkingen. Dit werd bevestigd in het bestreden besluit en door de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het motiveringsbeginsel was geschonden en dat haar beperkingen werden onderschat, met name de psychische klachten. De Raad oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de medische informatie geen aanwijzingen gaf voor zwaardere beperkingen. Er was geen nieuwe medische informatie die de vermeende toename ondersteunde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.