ECLI:NL:CRVB:2023:728
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WIA-uitkering en afwijzing schadevergoeding wegens arbeidsongeschiktheid
Appellant, een voormalig journalist, viel in oktober 2009 uit wegens psychische klachten en diende in april 2020 een laattijdige WIA-uitkeringsaanvraag in. Het UWV weigerde aanvankelijk een uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 65,74% vanaf 8 oktober 2011 en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe per 14 april 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de beperkingen adequaat weerspiegelde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, de beperkingen werden onderschat en dat sprake was van een bijzonder geval waardoor de uitkering eerder zou moeten ingaan.
De Raad oordeelde dat appellant wel degelijk is onderzocht door een verzekeringsarts en dat de beperkingen in de FML voldoende waren meegenomen. De geselecteerde functies waren passend en er was geen sprake van een bijzonder geval dat een eerdere ingangsdatum van de uitkering rechtvaardigt. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen omdat het hoger beroep geen grond bood voor toewijzing.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot vergoeding van schade af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de WIA-uitkering vanaf 8 oktober 2011 en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.